Verdwenen molens

Schiedam heeft een molengeschiedenis die ver terug voert. Al in 1160 wordt er melding gemaakt van een rosmolen. Dit type molen wordt aangedreven door één of meerdere paarden. Hoewel er in dertiende-eeuwse bronnen verwijzingen staan naar een houten standerdmolen is het de Suytwintcorenmolen die als eerste in 1383 met naam wordt genoemd. Ook dit was een houten standerdmolen wat het gangbare molentype was in die tijd. Schiedam kreeg de eeuwen daarna ook te maken met een derde type molen: de watermolen die werkte op het tijverschil tussen eb en vloed.

Een molen is in wezen niets anders dan een groot werktuig en men ontdekte steeds meer technische toepassingen hiervoor. Zo ontstonden er o.a. papiermolens, loodwitmolens, hennepmolens, zaagmolens en poldermolens.

Jeneverindustrie
In 1700 waren alle vier de windmolens nog bakkersmolens. De opkomende jeneverindustrie zorgde echter voor een sterk toenemende vraag naar maalcapaciteit. Bakkers en jeneverbranders werden steeds meer elkaars concurrent als klanten van het beperkt aantal molens. Hierop besloten de branders om zich te organiseren in zgn. consortia of compagnieschappen die zelf hun eigen brandersmolens lieten bouwen. Deze molens werden gefinancierd d.m.v.  aandelen of molenporties die vrij verhandelbaar maar waren afgestemd op de grootte van de branderijen waar ze exclusief voor maalden.

In de 18e en 19e eeuw was de Schiedamse jeneverindustrie de grootste in zijn soort in Nederland. Het woord ‘Schiedam’ staat in veel landen nog steeds synoniem voor jenever. De stad telde in 1885 nog 400 branderijen waar moutwijn werd vervaardigd: het basisingrediënt van ambachtelijk gestookte jenever. Veel molens (van de bijna veertig die in de loop der tijd in Schiedam hebben gestaan) waren dan ook mout- of brandersmolens. Zij maalden non-stop gerstemout, maar ook rogge en maïs, voor de branderijen. De meeste windmolens stonden in een ring om het oude stadscentrum, dichtbij alle branderijen en mouterijen, en hadden een aanzienlijke hoogte om boven de bebouwing uit te komen voor voldoende windvang. Met de groei van de Schiedamse jeneverindustrie groeiden de molens mee en werden zo de hoogste en grootste historische molens van de wereld.

Teloorgang
Als gevolg van nieuwe technische ontwikkelingen voor energieopwekking (stoommachine, dieselmotor, elektriciteit) raakten de molens steeds meer in onbruik. De brandersmolens kregen daarnaast ook nog eens te maken met een veranderend productieproces voor alcohol uit suikerbietenmelasse in plaats van uit graan geproduceerde moutwijn. Zo verdwenen bijna alle molens één voor één uit het straatbeeld.

Hieronder volgt een opsomming van de verdwenen molens:
De Suytwintcorenmolen
De Steene Molen
De Meyboom
De Batavier
De Eendragt
De Washington of Wilhelmina
De Oost
De Witte
De Wip- of Beukmolen
De Loodwit- of Papiermolen
De Star
De Draak
De Oude Volmolen
De ClopMolen
De Kopermolen
De Nieuwe Volmolen
De Westmolen
De Gekroonde Brandersketel of Brandersmolen
De Gaper(t)
De Hoop
De Zuid
Wijk den Toorn
De Ploeg
De Oud-Burgemeester Knappert
De Morgenzon
De Vlijt
De Nieuw-Mathenessermolen
De Oud-Mathenessermolen
De Schravenmolen of ’s Gravenlandsche molen
De Westabtsmolen
De Hargmolen
De Korenmolen van A. Bregman
De Nieuwlandsche molen
De Kleine Babbersmolen